De uitgewerkte oplossingen

De bedoeling van deze vragen is om je aan te tonen hoe belangrijk het is om je cursus vanuit inzicht aan te pakken. Zo kan je zien dat het allesbehalve volstaat je leerstof oppervlakkig vanbuiten te blokken. Studeren vanuit inhoudelijke diepgang is niet alleen de methode die het meest waarborgen biedt om voor deze vakken te slagen, deze werkwijze is ook de meest lonende op lange termijn. Dat is dan ook niet toevallig de manier waarop wij de vakken economie en staatsrecht aanpakken en waarin wij ons onderscheiden van anderen.

Staatsrecht

  1.  studiebegeleiding.be  Men dient zich af te vragen onder welke voorwaarden het advies bij de RvSt verplicht is. Aangezien de normen in antwoord c) en d) geen materiële wetten zijn, bestaat die verplichting niet. De normen onder a) en b) zijn dit wel. Het gaat hier immers om algemeen bindende regels, uitgevaardigd door een besturend orgaan. Nochtans gaat het in beide gevallen om ondergeschikte besturen, zodat in principe hier het advies niet kan worden gevraagd. Toch is a) het juiste antwoord, omdat in een aantal gevallen de COCOF materies behandelt die zijn overgeheveld van de Franstalige Gemeenschap (zoals bijvoorbeeld toerisme).
  2.  studiebegeleiding.be  Dit K.B. is in strijd met de Grondwet, aangezien de Grondwet het de Koning verbiedt om zelf belastingen in te voeren ("no taxation, without representation"). In principe moet de rechter, die in deze uiteraard bevoegd is (aangezien het om een administratieve beslissing gaat), vaststellen dat dit K.B. onwettig is en het dus buiten toepassing stellen. Omwille van het arrest Waleffe, dient de rechter bovendien (uitzonderlijk) de wet, op basis waarvan dit bijzonder machtenbesluit is genomen, ook beoordelen. Aangezien de opdrachtwet zeer vaag is geformuleerd, dient hij namelijk deze wet conform de Grondwet te interpreteren, namelijk: het kan nooit de bedoeling zijn geweest de Koning te machtigen om Art. 170 van de Grondwet te schenden. Omwille van de schending van de opdrachtwet, aldus uitgelegd, kan de rechter volharden in de buiten toepassing stelling van het K.B. en is dus alternatief c) correct.
  3.  studiebegeleiding.be  Alarmbelprocedures kunnen op federaal vlak ook niet worden ingeroepen voor begrotings- en rekeningswetten, aangezien het om niet-materiële, formele wetten gaat. Biculturele aangelegenheden zijn altijd federaal, dus hier geldt dezelfde regel. Men bedenke dat sommige biculturele wetten zullen niet-materieel zijn. In het Brusselse Gewest is het zo dat de Nederlandstalige minderheid op verschillende manieren wordt beschermd, o.a. door alarmbelprocedures. Deze hebben echter geen nut, wanneer deze minderheid reeds wordt beschermd door paritair georganiseerde beslissingsprocedures, zoals gebeurt bij alle beslissingen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en sommige gewestelijke ordonnanties, zoals die inzake de ondergeschikte besturen. Antwoord d) is dus juist.

Economie

  1.  studiebegeleiding.be  De bedoeling van de oefening is om de opportuniteitskost te berekenen van cash, al dan niet elektronisch te betalen. Zo dient voor hetzelfde aantal verrichtingen bekeken te worden welke manier van betalen het duurst is.

    Voor Bart levert dit volgende situatie op :

          5 X elektronisch betalen = 5 X 0,25 eur = 1,25
          1 keer geld afhalen voor 5 keer : ¼ uur x uurloon = ¼ uur x 10 = 2,5 eur
          Bart verkiest elektronisch te betalen aangezien dit goedkoper is.

    Voor Karel levert dit volgende situatie op :

          7 X elektronisch betalen = 7 X 0,25 eur = 1,75
          1 keer geld afhalen voor 7 keer : ¼ uur x uurloon = ¼ uur x 6 = 1,5 eur
          Karel verkiest cash te betalen aangezien dit goedkoper is.
  2.  studiebegeleiding.be  Antwoord B kan niet aangezien bij een perfect prijsinelastische vraagcurve de prijs niet wijzigt. A kan ook niet aangezien kleding niet noodzakelijk een luxegoed is en de vraag naar een luxegoed eerder prijsinelastisch is dan prijselastisch. Enkel C of D kan dan nog, een tekening verduidelijkt dit verder.



    Als men het aanbod laat toenemen van B naar D zal de prijs zakken van A naar C maar niet in dezelfde mate waardoor de oppervlakte ABE0 kleiner is dan de oppervlakte CDF0. Dit betekent dat als we de hoeveelheid doen toenemen in het prijselastisch gedeelte van de vraagcurve de omzet stijgt. Doen we dit in het prijsinelastische gedeelte van de curve dan zien we de omgekeerde beweging. De oppervlakte KJG0 is immers groter dan de oppervlakte LIH0. Het antwoord is dus C.
  3.  studiebegeleiding.be  Goed 1 kan geen inferieur goed zijn want als we het inkomen doen stijgen, neemt ook de hoeveelheid van goed 1 toe (normale goederen). Goed 1 en 2 zijn ook geen complementaire goederen aangezien als men de prijs van goed 2 doet stijgen, de hoeveelheid van goed 1 zal toenemen, het zijn dus substituten. Als we P2 laten stijgen zal de vraagcurve naar rechts verschuiven aangezien goed 1 en 2 substituten zijn (positieve kruiselingse prijselasticiteit). Enkel antwoord d kan dan nog juist zijn. Aangezien het teken voor de R positief is, zal de elasticiteit van de vraag met betrekking tot de reclame-uitgaven ook positief zijn.

Bedenk dat er nog maar vijf lesweken zijn en dat je misschien nog veel werk voor de boeg hebt. Heb je nood aan extra hulp in het verwerven van inzicht of vrees je van niet meer tijdig klaar te geraken, dan kunnen wij je via een intensieve aanpak hierbij bijstaan.

© Copyright 2009Copyright 2009 door Luc Verhille, Sint-Jacobsplein 17, 3000 Leuven, België.
Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze website mag op geen enkele manier gepubliceerd, herschreven of heruitgegeven worden in eender welke vorm. We wijzen er uitdrukkelijk op dat we deze rechten zeer ernstig nemen, en het niet nalaten de nodige stappen te ondernemen bij inbreuk. Het gebruik van deze site betekent dat u akkoord gaat met deze gebruiksvoorwaarden.
Datum copyrightstatement: 21 april 2009.